Gisterenavond keerde ik terug van Quillan. Het was volle maan. In de verte doemde het kasteel van Puivert op. De weg leidde mij tot onder haar muren. Ik kon aan de verleiding niet weerstaan om een klein ommetje te maken en parkeerde de wagen vlakbij de imposante ingangspoort van de eeuwenoude burcht. Ik sloot met een zachte klik het portier. De stilte was overweldigend. Enkel het bevroren gras dat kraakte onder elke twijfelende stap die ik zette, weerklonk over de heuvel. Het felle maanlicht plaatste de toegangspoort, tussen de twee torens, duidelijk in de schijnwerper. Ik rilde over mijn hele lichaam maar de dwang om binnen te gaan was sterker dan mijn vrees. Voetje bij voetje naderde ik het slot. Ik voelde dat het niet pluis zat maar een sterke kracht sleurde mij naar binnen. Ik hoorde mensen schreeuwen en rennen. Paarden hinnikten doorlopend. Ik stapte weifelend door de poort als plots iemand tegen mij aanliep. Ik smakte tegen de grond. De jongeman hielp mij overeind en verontschuldigde zich in het Occitaans. Ik was te verbouwereerd om de knaap aandacht te schenken terwijl ik hem nochtans in dezelfde taal geruststelde. Ik geloofde mijn ogen en oren niet.
Mannen en vrouwen liepen in paniek over en weer op de binnenplaats van het kasteel van Puivert. Ze droegen middeleeuwse kleding. Bovenop de muren brandden vuurkorven en infanteristen bewaakten de omgeving. Boogschutters en speerdragers beschermden samen met bijldragers het kasteel en haar inwoners. Plots galmde een zware stem over de binnenplaats. Vanop een klein terras voor de woontoren riep een ridder in vol ornaat iedereen tot de orde. Zijn pantser schitterde in het maanlicht. Telkens hij bewoog weerkaatste zijn harnas lichtstralen over de menigte. Iedereen werd muisstil en ook de paarden stopten met briesen. "Inquisiteur Bernard Gui is op een boogscheut van hier verwijderd. Hij heeft zijn kamp opgeslagen aan de oevers van de Hers vlakbij ons kasteel. Ik vermoed dat hij ons nog vandaag zal willen belegeren. Ik roep dan ook alle mannen, jong en oud, op te verzamelen voor de toren van de garde." De ridder wilde zich omdraaien toen hij zich plots bedacht en zijn rechterarm strekte. Met zijn wijsvinger over de menigte wees hij naar mij en riep: "Troubadour, wat sta je daar te treuzelen! Moet je niet bij de jonkvrouwe zijn? Haast je hierheen!" Verbaasd legde ik mijn hand op mijn borst en keek rondom mij. "Jij ja, vlug hierheen!", riep dezelfde ridder boos. Aangepord en opgestuwd door de omstaanders strompelde ik naar de donjon. Ik treuzelde de trap op naar het kleine terras waar de ridder mij bij de arm nam en mee de woontoren introk. In de zaal op het gelijkvloers van de burcht verbleef het garnizoen. Een grote open haard verwarmde de omvangrijke vierkante plaats. Tegelijkertijd diende het intense vuur ook als kookfornuis. Een grote pot hing midden boven de haardstede. Een jongeling van amper twaalf jaar stond er in te roeren. Een lange houten tafel troonde in het midden van de zaal terwijl in de hoeken aan de andere zijde van het vuur heel wat met stro gevulde jutte zakken op een hoop bijeenlagen. De ridder trok mij mee de trap op naar de zaal op de eerste verdieping. Hij klopte op de hoge zware houten toegangsdeur. Een zachte stem antwoordde. Hij duwde mij hard voor zich uit de plaats binnen. Ik kon met moeite mijn evenwicht bewaren en viel bijna. Een jonge dame met getaande huid glimlachte even bij het aanschouwen van mijn gestuntel. "Ik weet niet waar uw zanger-kunstenaar met zijn gedachten zat maar hij stond aan de grote slotpoort wat onnozel te doen. Terwijl dit zeker niet het moment is om zot te doen." "Ik houd hem kort bij mij, Heer van Puivert.", zei ze zacht maar vastberaden. De Heer sloot met een duidelijk gegrom de stevige deur van het tweede verdiep van de donjon. Ik keek verbaasd rond en merkte dat hier de kapel van het kasteel was ondergebracht. De jonkvrouw nam mijn linkerhand vast en vroeg mij wat ik op de binnenplaats wilde doen. Ik stamelde enkele woorden maar zij onderbrak mij en sprak zachtjes: "Je hebt nog veel schrijfwerk want de boodschap van onze broers Parfaits Pierre en Guillaume Autier is niet afgewerkt en het document moet zeker vanavond meegegeven worden met de bode." Ze begeleidde mij naar een kleine hoge pupiter waar een aantal rollen perkament en een schrijfstok op lagen. Ik sloeg mijn ogen op en keek haar aan. Haar volledig witte lange kleed viel als een zijden doek rond haar sierlijke gestalte. Haar gitzwarte haar krulde langs haar fijne hals over haar rechte schouders tot op haar borsten. Een met gouden draad versierde gordel omsloot haar delicate lende en toonde duidelijk haar exquise heupen. Aan haar voeten droeg ze fijn geweven witte mocassins. Ze draaide zich om en wandelde naar een klein altaar aan de andere zijde van de vierkante ruimte. Ze dicteerde en ik, tot mijn grote verbazing greep de schrijfstok en noteerde haar Occitaanse woorden. "In het jaar 1289 vertrokken onze vrienden Katharen Pierre en Guillaume naar Lombardije om zich verder in ons geloof te onderwijzen...." Ik was niet alleen door de poort van het kasteel van Puivert gestapt maar ook door een tijdpoort die mij naar de middeleeuwen had gevoerd middenin de strijd tussen Katholieke inquisiteurs en Occitaanse Ridderheren, beschermers van het Kathaarse geloof.
Geruime tijd later werd er op de houten deur gebonkt. De Heer van Puivert kwam binnengestormd. "We hebben geen andere keuze dan Bernard Gui zijn troepen onverwachts aan te vallen." Hij vroeg ons hem te volgen naar het dak van de woontoren. Bovengekomen keek ik om me heen. Het kasteel was aan de zuidzijde begrensd door een enorm meer. He leek wel een echte zee. De wind joeg de golven op die klotsten tegen de rotsen onderaan de muur van de burcht. Aan de oostzijde merkte ik heel wat beweging. Een legertje ongeregelden maakte zich op om morgen het kasteel van Puivert aan te vallen. Omdat de vesting van Puivert niet echt een arendsnest was zoals vele andere Katharenburchten, zou het snel onder de voet worden gelopen door haar aanvallers. En juist dat besefte Jean de Bruyère, Heer van Puivert, ook. Na zijn uitleg en aanwijzingen aan ons en de bevelhebber van de kasteelgarde, verliet hij het dak maar niet zonder twee wachters de opdracht te geven de "Dame Blanche" te beschermen.
In vol ornaat en begeleid door een honderdtal soldaten daalde hij de heuvel af. Zijn enige doel was de tent van hoofdinquisiteur Bernard Gui te bereiken om hem daar ter plaatse te doden. Maar voor hij wel en goed zijn doel had bereikt, stootten ze op zwaar verzet van diens troepen. De Heer van Puivert werd door één houw van zijn paard geslagen. Zwaar gewond aan de buik kwakte hij tegen de grond. Zijn bevelhebber vormde samen met zijn manschappen een kring om hem heen en slaagden erin, weliswaar met grote verliezen, veilig terug te keren binnen de muren van het kasteel van Puivert. De uitval was een totale mislukking geworden. De troepen van Bernard Gui deden op hun beurt, een zwakke poging om de zware toegangspoort van de burcht te forceren maar gaven snel op. Gui wist dat bij zijn volgende aanval het kasteel en zijn inwoners als rijpe appels in zijn mand zouden vallen. "De Bruyère, morgen is het de dag des oordeel. Ik laat van je fort geen één steen op de andere staan. Al haar inwoners zullen op een vreselijke manier aan hun einde komen. God zal de zijnen wel herkennen. Jouw "Dame Blanche" zal voer zijn voor mijn troepen en jij zal vervolgens gegeseld, opgehangen, opengesneden en gevierendeeld worden. Dieu le veut."
Het was stil op de binnenplaats van het kasteel. Buiten het gekerm van de zwaargewonde soldaten hoorde je niets of niemand. Het avondrood kleurde de hemel als ik de jonkvrouwe en haar twee wachters volgde naar het dak van de woontoren. Ik keek naar beneden en volgde de weinige bewegingen van enkele mensen op het binnenplein. Plots zag ik een samenscholing van een paar lieden rond één persoon. Hij legde zijn hand op hun hoofd en sprak tot hen. De dame kwam bij mij staan en sprak zachtjes: "Hij is een parfait die het consolamentum geeft aan enkele gelovigen. Op hun beurt kunnen zij met een zuiver hart onze goede vader morgen tegemoet gaan. Zij vrezen de dood niet want het slechte is het materiële, dus eigenlijk deze wereld. De dood is de deur naar het goede en dus zijn zij, Katharen, er klaar voor. Ikzelf ben ook Kathaar en heb mijn geloof altijd verdedigd omdat ze, naar mijn mening, puur en menselijk is. Dit geloof en zijn predikers zijn het tegenovergestelde van de vertegenwoordigers van het katholieke geloof. Deze omgeven zich enkel met pracht en praal en geven niets om de mensen. Heer de Bruyère verdedigt en steunt enkel de Katharen, hoewel hij vaak de houding van de paus bekritiseert." Zij tuurde over het meer. Plots helde ze met haar hoofd naar voren. Ze wees naar de rand aan de oostzijde van het meer. Ik volgde haar vinger en merkte een barrage waarna de rivier, de Hers, haar loop begon. Ze draaide zich om en sprak stil maar snel en opgewonden: "Als we die dam kunnen openbreken, dan loopt het gehele meer leeg en vernietigt dat vele kolkende water het legerkamp van Bernard Gui." Haar woorden waren amper uitgesproken of begeleid door haar twee soldaten en ikzelf holden we naar de stallen. We graaiden enkele stevige koevoeten en verlieten het kasteel via een geheime deur aan de meerzijde van de burcht. In het duister vervolgden we onze weg door het struikgewas tot aan de waterkering. We daalden af langs de stenen dam tot waar we zeker wisten dat we de bres moesten maken. Eén steen uit de muur halen zou genoeg zijn om de hele dam, onder het gewicht van het vele water, te doen uiteenspatten. Met volle moed wrikten we tussen de stenen. Het geluid van metaal op steen had een paar bewakers uit het vijandelijke kamp naar ons gelokt. De klei rond de steen was reeds losgewrikt toen plots enkele pijlen ons om de oren vlogen. Eén ervan schampte af op mijn rechterschouder waarop de jonkvrouw mij en een garde de opdracht gaf naar boven terug te keren om onze aanvallers van antwoord te dienen. Op onze beurt schoten wij een paar pijlen naar onze belagers. Plots hoorde ik een zwaar gesis. Ik merkte een grote waterstraal die uit de stuwdam spatte. Het gesis zwol aan en ik besefte dat we ons allemaal snel uit de voeten moesten maken. Ik riep de jonkvrouw en haar garde als ineens de hel losbarste. De stenen dam begaf onder de watermassa en met een hels geraas stortte hij in. In een fractie van een seconde zag ik een muur van water die plots neer beneden stortte en alles op zijn weg meesleurde en vernielde. Ik hoorde gegil en geschreeuw en wist dat alle hulp voor de jonkvrouw en haar wachter vergeefs zou zijn. Ik wilde naar beneden hulp gaan bieden als mijn compagnon, garde, mij bij de schouders omhoogtrok. Juist op tijd want de bres werd door al het watergeweld groter en groter en het water steeg verraderlijk snel. Gelukkig konden we ons nat maar in leven op het droge hijsen. De volgende ochtend waren we via dezelfde weg terug naar het kasteel gestrompeld. De verwoesting van het water was enorm. Het had alles op zijn weg meegesleurd en vernield. Het kamp van Bernard Gui was met de grond gelijk gemaakt. Het kasteel en zijn inwoners waren voorlopig dan toch gered maar het had wel een hoge tol geëist. De Heer van Puivert zou zijn hele leven treuren om het verlies van zijn "Witte Dame". Maar haar daad en haar legende trotseerde de eeuwen. En ikzelf, ik keerde via de grote ingangspoort naar mijn tijd en huidig leven terug.
Tijdens de nachten met volle maan tintelt steeds mijn litteken op mijn rechterschouder en hoor je aan het kasteel van Puivert voor middernacht het geweeklaag van Jean de Bruyère. Na middernacht verschijnt dan la "Dame Blanche". Zij tuurt van bovenop het dak van de donjon, over het meer van Puivert. Ze is nog steeds begaan met het lot van het Occitaanse volk en behoedt hen voor alle onheil. Ze fluistert zachtjes de woorden die het Kathaarse Geloof haar meegaf: "Goede God, Licht, Zuiverheid."